Over ons

De vzw “PATRIMOINE INDUSTRIEL WALLONIE-BRUXELLES”

Inleiding

Het P.I.W.B. groeide uit ervaring

Tot in de jaren 1960 hadden zelfs de meest verlichte geesten over het algemeen geen besef van de historische waarde van de materiële overblijfselen van het industriële verleden. Gelukkig waren er enkele uitzonderingen, zoal de redders van de site van Grand Hornu, de ontwikkelaars van het toekomstige “Musée du fer et du charbon de Liège” (Museum van IJzer en Steenkool van Luik) en individuele liefhebbers en onderzoekers zoals René Evrard te Luik en Georges van den Abeelen te Brussel. Ze verdienen alle dank, want ze hadden het voorgevoelen dat de ondernemingen die voortkwamen uit de Industriële Revolutie, grote veranderingen zouden ondergaan en zelfs zouden verdwijnen onder de mokerslagen van de technologische vooruitgang en de economische omwentelingen. En de tijd was rijp voor meer systematische reddingsinitiatieven, want andere landen gaven reeds het voorbeeld, zoals het Verenigd Koninkrijk (ere wie ere toekomt!) met het complex van de “Iron Bridge”, alsook Zweden en Duitsland.

In 1973 stichtte Georges van den Abeelen het “Centre d'archéologie industrielle” (Centrum voor Industriële Archeologie) dat twee jaar later te Brussel de tentoonstelling “En toen kwam de machine” organiseerde, die echt belangstelling voor het onderwerp wekte in België en die werd gesteund door historici en archeologen uit andere gebieden, maar die geboeid waren door dit nieuwe onderzoeksterrein, zoals Marinette Bruwier, Jacques Stiennon, Luc-Francis Génicot en anderen, die het onderwerp al vroeger hadden aangeraakt, haast zonder het te weten – maar wel heel goed – een beetje zoals mijnheer Jourdain proza schreef. In 1978 ontstond in Vlaanderen de “Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie” (V.V.I.A.), die werd bezield door enkele jonge en dynamische personen die zich helemaal toelegden op dit nog weinig bekende terrein. Het resultaat van dat initiatief liet niet op zich wachten, aangezien de Nederlandstalige vereniging al vlug een overwegende plaats bekleedde op nationaal en zelfs op internationaal vlak, waardoor ze als het ware heel België vertegenwoordigde, terwijl ze eigenlijk was opgericht ter illustratie van de inbreng van Vlaanderen op het gebied van industriële archeologie. Een merkwaardige paradox, aangezien dat gewest tamelijk laat werd geïndustrialiseerd, terwijl Wallonië, na Engeland, als tweede die weg insloeg. Ondertussen was er in 1978 een internationale vereniging voor industriële archeologie opgericht in Zweden, de TICCIH. Sindsdien vormt die de hoogste instantie van die sector en houdt geregeld internationale congressen, zoals dat van België, in 1990, dat mee werd georganiseerd door het PIWB.

De jaren zeventig waren uitdrukkelijk gekenmerkt door een buitengewone overvloed aan studies, projecten en reportages over het oude industriële erfgoed. Het redden en het restaureren ervan stonden voortaan op de agenda, waarbij soms minder aandacht werd besteed aan de noodzakelijke keuzes, financiering en leefbaarheid op termijn. Franstalig België moest dan ook zijn plaats opeisen in het kader van een voortschrijdende federalisering en gewoon uit respect voor zijn historische identiteit, waarin de industrie zo’n belangrijke plaats bekleedde. Zo werd op 22 februari 1984, op aansporing en met de steun van de Executieve van de Franse Gemeenschap, de vereniging zonder winstbejag “Patrimoine industriel Wallonie-Bruxelles” opgericht, waarvan ik de eer had meteen en tijdens de eerste tien jaar van haar bestaan de voorzitter te zijn. De vierendertig stichtende leden wilden allemaal het oude industriële erfgoed van hun gemeenschap vrijwaren en bekendheid geven, zowel om wetenschappelijke als om identiteitsredenen. Hetzelfde jaar werd er een verenigingsblad gecreëerd, nl. “Patrimoine industriel” (Industrieel Erfgoed). Terwijl het bescheiden eerste nummer van het “desk top”-type was, kregen de volgende een behoorlijk gedrukte presentatie. Tot op vandaag, bijna een kwarteeuw later, levert dat tijdschrift nog altijd een gewaardeerde bijdrage op zijn terrein. Artikelen, reportages, samenvattingen en korte nieuwsberichten geven de leden en andere personen voortdurend informatie over en, naar we hopen, een stimulans voor hun bijzonder aandachtsveld.

Ook in 1984 kreeg de Belgische afdeling van de TICCIH, die “TICCIH Belgium” werd genoemd, een structuur waarbij het nieuwe P.I.W.B. en de oudere V.V.I.A. met elkaar in evenwicht werden gebracht.

Het PIWB had heel wat werk op haar geliefkoosde gebied, dat toen nieuw was. De grote gerestaureerde sites moesten worden gevaloriseerd en het behoud van de vele sites die daar toen voor in aanmerking kwamen, moest worden aangemoedigd. Men moest ook instaan voor het beheer van een vereniging die een tamelijk uitgebreid gebied bestreek, waardoor de raad van bestuur zich dikwijls moest verplaatsen, zowel om de ontmoetingsplaatsen te diversifiëren, als om zich te vergewissen van de plaatselijke toestanden. In 1987 werden die verplaatsingen ook uitgebreid tot de leden zelf, waarbij ze de mogelijkheid kregen om allerlei interessante sites te bezoeken tijdens uitstappen die werden georganiseerd in België en later, vanaf 1991, ook in de aangrenzende landen. Er werden ook reizende tentoonstellingen georganiseerd (in 1985 en 1986), alsook colloquia, meer bepaald over de reconversie van industriële sites in samenwerking met de “Société royale belge des ingénieurs et des industriels” (de Franstalige Koninklijke Belgische Vereniging van Ingenieurs en Industriëlen) in 1987 en het internationaal TICCIH-congres in 1990. Er werden formele contacten gelegd met de diensten voor industriële archeologie van het Groothertogdom Luxemburg. Het P.I.W.B. nam in 1994 ook deel aan de op industriële archeologie gerichte “Journées du Patrimoine” (Erfgoeddagen) in het Waals Gewest.

Naast de permanente contacten met de Franse Gemeenschap van België, werden er ook dikwijls volksvertegenwoordigers aangesproken om hen te sensibiliseren. De Minister van Ruimtelijke Ordening vertrouwde de vereniging het opstellen toe van een inventaris van de Waalse industriële sites, een project dat werd uitgevoerd van 1991 tot 1993, ook al hebben andere instanties zich het voorrecht toegeëigend het later in hun eigen naam af te werken. Toen al rees de kwestie van de keuzes die moesten worden gemaakt bij het optreden van de overheidsdiensten inzake restauratie. Ondertussen was het concept zelf van de industriële archeologie zich aanzienlijk aan het uitbreiden, waarbij de aandacht ook uitging naar andere domeinen: voorouderlijke technieken en proto-industrieën, roerend en niet enkel onroerend erfgoed, mondelinge overlevering…

De vier voorzitters van het PIWB. Van links naar rechts : Jean-Louis Delaet, Bruno Van Mol, Jean Defer en Claude Gaier

De stichting en de beginperiode van het PIWB waren voor mij een begeesterende ervaring, die ik deelde met bestuurders – van wie sommigen er jammer genoeg niet meer zijn – en dikwijls sterk gemotiveerde leden. In alle bescheidenheid meen ik mijn deel te hebben bijgedragen aan, enerzijds, de kennis van een historisch verschijnsel dat ik als een van de belangrijkste uit de evolutie van de mensheid beschouw, nl. de Industriële Revolutie, en anderzijds aan het versterken van de Franstalige identiteit in België (zonder enige uitsluiting) en ten slotte aan de promotie van die Gemeenschap en van België in het buitenland. “Jucundi acti labores”, gelukkig het werk dat gedaan is, zei Cicero. Maar is het ooit gedaan? Mijn opvolger, Jean Defer, en degenen die na hem kwamen, hebben andere taken op zich genomen en andere uitdadingen aangegaan in een veranderende context, en ze blijven dat doen. Maar dat is een ander verhaal…

 

Claude Gaier

 

 


Adressen

J.-L. DELAET, Voorzitter
Le Bois du Cazier
Rue du Cazier, 80
B-6001 MARCINELLE (Belgique)
Tel.: 0(032) 71 88 08 56
Fax: 0(032) 71 88 08 57
wyqrynrg+cngevzbvarvaqhfgevry+or

Jacques CRUL, secretaris
rue Lambert Marlet, 23
B-4670 BLEGNY
w.pehy+oyrtalzvar+or

Claude DEPAUW, penningmeester
Rue Sainte Germaine 176
B-7700 MOUSCRON
py-qrcnhj+fpneyrg+or​​

 


Bibliotheek

De bibliotheek van de vereniging kan worden geraadpleegd in het Centre Liégeois d’Archives et de Documentation de l’Industrie Charbonnière (CLADIC) (Luiks Archief en Documentatiecentrum van de Steenkoolnijverheid).
Rue Lambert Marlet 17
B-4670 BLEGNY
Tél. : 0(032) 4 237 98 18
Fax: 0(032) 4 237 98 51
vasb+cngevzbvarvaqhfgevry+or
www.bibliocladic.be

 


Onze partners

Het Ministerie van de Franse Gemeenschap Wallonië-Brussel
Instituut voor het Waals Erfgoed

 


Raad van Bestuur

Voorzitter: Jean-Louis DELAET
Ondervoorzitters: Guido VANDERHULST
Claude MICHAUX
Secretaris: Jacques CRUL
Penningmeester: Claude DEPAUW
Leden: Gilles DURVAUX
Joëlle PETIT
Bruno VAN MOL
Maryse WILLEMS

 


Contact en Lidmaatschap

Contact

Wilt u informatie of inlichtingen over onze vereniging, activiteiten, publicaties, documenten? Vul dan onderstaand formulier in door “Demande d’informations” (Informatieverzoek) te selecteren. We zullen u onverwijld antwoorden.

Lidmaatschap

Wilt u lid worden van onze vereniging? Stuur dan een lidmaatschapsaanvraag naar de Raad van Bestuur, ofwel naar een van de hier vermelde adressen, ofwel met onderstaand formulier, waarin u de regel “Demande d’affiliation” (Lidmaatschapsaanvraag) selecteert. Zodra uw aanvraag is aanvaard, zal er u een jaarlijkse bijdrage worden gevraagd (waarin een exemplaar van het tijdschrift “Des usines et des hommes” [Fabrieken en Mensen]) begrepen is. Het lidgeld bedraagt:

  • 25 € voor een individuele persoon

  • 60 € voor en vereniging

  • 120 € voor een handelsvennootschap

Dat lidgeld dient te worden gestort op rekening BE26 0682 0199 3029 | BIC : GKCCBEBB van de vzw, met vermelding van uw gegevens.

Formulier

  1.  


  2.